Provinciale maatwerkstrategieën

Het programmabureau NME (vanaf 2012 gecombineerd met LvDO) ontwikkelde in de afgelopen jaren een aantal instrumenten om in elke provincie tot goede samenwerkingsafspraken te komen tussen de betrokken overheden (provincie, gemeenten, waterschappen) onderling en tussen overheden en uitvoeringsorganisaties op het gebied van NME.

Omdat de situatie, zowel op het gebied van beleid als betrokken uitvoeringsorganisaties verschillend is ontwikkelde het Programmabureau een maatwerkstrategie. Die heeft als vertrekpunt dat er in elke provincie maatwerk moet worden geleverd in plaats van een top-down gelanceerde blauwdruk. Als achtergrondkader werd een beknopt streefbeeld geformuleerd (1 A4tje) met betrekking tot de mogelijke rollen van de betrokken partijen.
Het programmabureau heeft maatwerk vertaald in het beschikbaar stellen van extra ambtelijke capaciteit voor provincies en voor GDO-vertegenwoordigers in elke provincie. Waar nodig en gewenst kon ook externe ondersteuning worden ingeschakeld om het samenwerkingsproces te begeleiden.
In 2011 maakten alleen de provincies Limburg, Brabant en Friesland geen gebruik van de mogelijkheid om de extra capaciteit in te zetten. In 2012 zal dat in Brabant zeker en Friesland mogelijk alsnog gebeuren. In 9 provincies werd gebruik gemaakt van externe ondersteuning (Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Flevoland, Utrecht, N-Holland, Z-Holland en Zeeland). In 2012 zal dat ook in Brabant en mogelijk Friesland het geval zijn. In een aantal provincies is de extra ambtelijke capaciteit en externe ondersteuning gecombineerd ingezet. Voorwaarde daarbij was steeds dat de provincie wel actief betrokken zou zijn bij het proces van samenwerking.

In 2011 werd ook PROEF NME ingezet, een financieel instrument waarin kansrijke gemeenten incidenteel werden betrokken bij een NME-arrangement, zonder dat daar co-financiering tegenover hoefde te staan. In totaal zijn, conform doelstelling, 23 van deze projecten uitgevoerd. In de loop van 2012 zullen deze worden geëvalueerd.
Naast deze instrumenten zijn er tal van initiatieven geweest om bestuurders actief te betrekken bij netwerken met collega-bestuurders om ze te laten zien dat NME/duurzaamheidseducatie kan helpen om beleidsdoelen te realiseren.

De circa 75 lokale/regionale arrangementen die in het land met co-financiering vanuit het programmabureau zijn/worden uitgevoerd lieten daar in de praktijk iets van zien, maar ook de inspanning van GDO om bestuurlijke netwerken tot stand te brengen hielp daar zeer aan mee. In 2012 zal de inzet van deze instrumenten worden afgerond. In de komende periode zal de focus zal steeds meer komen te liggen op de verdere ontwikkeling en ondersteuning van regionale duurzaamheidsnetwerken. Uiteraard wordt daarbij voortgeborduurd op de samenwerking die in het kader van de maatwekstrategie al tot stand is gekomen.